Wie ben jij? VI (‘Mag ik mens zijn’ 34).

WAARSCHUWING: MENSEN DIE KWETSBAAR ZIJN M.B.T. HET ONDERWERP ‘INCEST’ of SEKSUEEL MISBRUIK, WIL IK EROP ATTENDEREN DAT DIT GEGEVEN (IN EEN DEEL VAN DE CASUÏSTIEK HIERONDER BESCHREVEN), TER SPRAKE ZAL KOMEN, DUS WEES VOORZICHTIG MET …

Wie ben jij? VI (‘Mag ik mens zijn’ 34).

WAARSCHUWING: MENSEN DIE KWETSBAAR ZIJN M.B.T. HET ONDERWERP ‘INCEST’ of SEKSUEEL MISBRUIK, WIL IK EROP ATTENDEREN DAT DIT GEGEVEN (IN EEN DEEL VAN DE CASUÏSTIEK HIERONDER BESCHREVEN), TER SPRAKE ZAL KOMEN, DUS WEES VOORZICHTIG MET JEZELF.

MOCHT JE, DAARENTEGEN, DENKEN DAT JE MENSEN KENT DIE WORSTELEN MET HET LOSKOMEN VAN DOGMATISCHE RELIGIES, DEEL DAN DEZE AFLEVERING. ER VALLEN VEEL MEER SLACHTOFFERS IN DIE CONTREIEN DAN JE WELLICHT DENKT.

In deze aflevering onder meer aandacht voor ‘Religious Trauma Syndrome’, incest binnen de besloten gemeenschappen van dogmatische religies, het belang van de magische driehoek ratio – emotie – lichamelijke waarneming en waarom deze nu juist een van de belangrijkste instrumenten is om het ‘zelf’ zo goed mogelijk te leren kennen. En: een live demonstratie van een oefening in het werken hiermee. Film-technisch gezien had het beter gekund, maar qua oprechtheid is het contact van het zuiverste water.

Tijdens een van de laatste jaren dat ik in het ambulant traject (wanneer een cliënt je spreekuur bezoekt buiten de grenzen van de kliniek waar je aan gelieerd bent) werkte in Rotterdam, kreeg ik een cliënt toegewezen die geduid werd met de term ‘alcoholafhankelijk’. In het korte schrijven dat ik verder over hem ontving, stond ook vermeld dat hij van de Gereformeerde Gemeente was en dat deze had betaald voor zijn therapie. Ik had al heel wat mensen uit die gelederen in behandeling gehad, maar die hadden stuk voor stuk hun ‘eigen bijdrage’ zelf betaald. Enerzijds leek het mij een onverwacht sympathiek gebaar van die uiterst strenge dogmatici, anderzijds was ik op mijn hoede. Wat maakte hem anders dan zijn geloofsgenoten?

Het eerste contact verliep meteen stroef. Het was inmiddels donker buiten, de man moest per se buiten kantooruren gezien worden, want hij kreeg van zijn baas – zo meldde hij althans – geen toestemming om tijdens het werk een zorgverlener te bezoeken. Het regende dat het goot en de cliënt was vanaf zijn werk in de haven op de brommer naar het W.T.C.-gebouw gekomen waar we onze burelen hadden. Het water liep van zijn regenpak af, dat hij omslachtig begon uit te trekken in mijn spreekkamer. Zijn reactie op mijn vriendelijke begroeting was korzelig geweest. Zijn ogen waren onzichtbaar achter de beslagen en deels met regendruppels bedekte brillenglazen. Terwijl ik wat luchtige ‘small talk’ bezigde om de wat beklemmende sfeer die de ruimte begon te vullen, te verlichten, deed hij niets om het contact iets te versoepelen. Ik maakte koffie voor hem – dat wilde hij wèl – en nam weer plaats. Ik zag nu zijn ogen beter. Ze waren blauw en doods. Alsof het licht er niet in kon reflecteren. Uit het gesprek bleek dat de man tijdelijk niet thuis woonde. Er waren problemen met zijn vrouw, maar daar wilde hij nog niet over praten. Op mijn vraag of zijn alcoholprobleem iets met die situatie van doen had, antwoordde hij dat het de zaken er zeker niet beter op had gemaakt. Hij en zijn echtgenote bleken acht kinderen te hebben. Wellicht was hij depressief en reageerde hij daarom zo stroef, argwanend en afwerend. Wat ik bij mijzelf bespeurde was dat ik druk op mijn zonnevlecht voelde en dat met ieder vriendelijk woord mijnerzijds, mijn energie leek te dalen. Alsof ik iets uit mijzelf weggaf dat onmiddellijk verzonk in het moeras van zijn weerstand. Een goed contact met zijn behandelaar leek hem koud te laten. Ik vroeg hem er rechtstreeks naar. In Gestalt-terminologie heet dat ‘stating the obvious’. Het is tijdens de introductiefase die je ingaat met een nieuwe cliënt beter om meteen in het oog of gevoel springende indrukken te benoemen. Als er bijvoorbeeld iemand op krukken binnen hinkelt, omdat hij of zij maar over één been beschikt, is het beter ernaar te vragen hoe dat zo is gekomen en wat dit betekent voor het bestaan van de cliënt, dan te doen of je neus bloedt.

Ik zei: “het valt me op dat jij (hij had ermee ingestemd dat we elkaar zouden tutoyeren) erg gesloten lijkt. Defensief is misschien een beter woord. Ik krijg het gevoel dat ik je ongemakkelijke vragen stel en dat je hier liever niet wilt zijn. Daardoor ga ik me afvragen of ik je tijd zit te verprutsen.”

“Dat doe je niet”, antwoordde hij vanuit een niet eerder getoonde levendigheid. Ik weet nog dat ik dacht: ‘misschien is hij beschaamd en daarom zo afwerend. Het kan zijn dat hij zich nog geen raad weet met zijn houding en dat mijn vraag over mijn mogelijke tekortschieten hem wellicht laat zien dat ik een mens ben en geen veroordelende instantie.’

“Ik kijk gewoon eerst de kat uit de boom.”

Een zeer geliefd gezegde onder Nederlanders. Waar je ook komt, overal staan ze in drommen onder het loof tussen de takken te staren op zoek naar verstijfde katachtigen. Je krijgt als therapeut dan een beetje een idee aan welke onmogelijke missies je soms begint: ‘ik ben in taboeland en kan de betonschaar beter even achter een boom plaatsen.’

Gelukkig bereikten we tenslotte het eind van de sessie en kon er na de worsteling met het regenpak afscheid genomen worden.

“Volgende keer vertel ik meer”, vertrouwde de cliënt mij toe.

Toen ik zeker wist dat hij het gebouw had verlaten, pakte ik mijn spullen bijeen en zette koers naar de McDonalds om mijzelf ter vertroosting op een ijsje te trakteren. Daarna begaf ik mij naar het ‘slonzige, morsige’ hotel aan de Nieuwe Kruiskade waar ik een prijsafspraak had gemaakt omdat ik er wekelijks meerdere nachten verbleef. De cannabisdampen (‘Het is ten strengste verboden in dit hotel te roken’ was kennelijk een boodschap die weinig indruk maakte), de opgewonden liefdeskreten, het dronken gebral dat door de flinterdunne muurtjes heen bulderde, ik nam het voor lief. Soms deed een van de televisies het en keek ik nog wat voetbal. Dit keer (een zeldzaamheid) bleef het ongerieflijke gevoel over het bezoek van de laatste cliënt bij me. Ik kreeg mijn vinger er niet achter. Ik had het vaker met streng gereformeerde mensen gehad. Ze hadden iets beangstigends over zich. Ik zag er meer kwaad in dan in de duivel (die wel wat beters te doen had dan zich meester te maken van mijn geest, maar dit terzijde). Hel en verdoemenis vond ik een stuk minder eng dan dit soort humorloze wrekers. De cliënt had iets op zijn kerfstok wat hij vooralsnog achterhield en ik voelde het rimpelen als een koude bries over mijn armen na het zwemmen.

De week daarop regende het weer pijpenstelen en begroette ik regenpakje met een knoop in mijn maag. Hij ‘bekende’ me dat hij naast een alcoholafhankelijkheid ook een seksverslaving had. Hij trok zich terug (geen opzettelijke woordspeling) met een laptop, keek naar allerlei pornografie en dat alles onder het wakend oog van het Opperwezen. ‘Zou hij daarbij ook drinken?’ (de cliënt, niet het Opperwezen), vroeg ik me nog af. Het leek me in praktische zin wat onhandig. Als snel doemden beelden op die ik weg trachtte te drukken. Hij vertelde dat de ‘kerkenraad’ zich bekommerde om hem en zijn gezin. Zij hadden de regie over het geheel en die regie ging, mijns inziens, absurd ver. Zo hadden ze een therapeute ingeschakeld die bemiddelde tussen hem en zijn vrouw. De werkelijke reden dat ze op dit moment apart woonden, was dat mijn cliënt zich regelmatig had vergrepen aan twee van zijn kinderen en zijn vrouw was daarachter gekomen. Zij wilde bij hem weg, maar de Kerkenraad, terzijde gestaan door de ‘therapeute’, voerde een naargeestig ontmoedigingsbeleid waarbij de vrouw geen onderdak en inkomen meer zou hebben. Ik vroeg cliënt of hij begrip op kon brengen voor de positie waarin zijn echtgenote en kinderen verkeerde. Dat kon hij wel, maar inwonen bij zijn ouders, zo zei hij ‘was ook niet natuurlijk en hij verlangde naar zijn eigen huis.’

Soms kun je als therapeut niet veel anders dan hele stukken van een dialoog op de vuilnisbelt achter je gooien en aanvaarden dat de waanzin je te machtig is.

“Maar hoe staat het er dan voor met je berouw?”, vroeg ik om toch enige menselijkheid los te peuteren. Wat bijbels jargon kon daarbij geen kwaad, vond ik.

“Ik weet heus wel dat ik dingen heb gedaan die niet door de beugel konden, maar dat gaat niet meer gebeuren.”

“Hoe weet je dat zo zeker?”, vroeg ik met enige verbijstering en vervolgde met: “Wat is er sinds jullie breuk veranderd?”

“Ik drink veel minder. Dan voel ik de drang om los te gaan niet zo sterk.”

Het enige wat ik zeker wist, was dat alles zich zou herhalen. Het idee, de beelden. Het was te gruwelijk voor woorden. Ik heb het nummer van de therapeute gevraagd voor intercollegiaal overleg. De cliënt gaf me dat en ook zijn toestemming om met haar van gedachten te wisselen. Dat mokkel was net zo gehersenspoeld als de rest. Zij achtte het ook beter voor de vrouw en kinderen wanneer het gezin weer herenigd was. Een week later hoorde ik via het secretariaat dat de cliënt zich had laten uitschrijven. Dat was enerzijds een opluchting, maar anderzijds een bezoeking. Ik wist wat zijn vrouw en kinderen te wachten stond. Heb nog met de directie overlegd of we niet via Justitie konden interveniëren, maar ze achtten ons bij voorbaat kansloos.

Op dit moment ben ik de geweldige autobiografie van Rickie Lee Jones ‘Last chance Texaco’ aan het lezen (sommigen herinneren zich wellicht haar hitje ‘Chuck E’s in love’). Zij was lange tijd de verloofde van Tom Waits, maar ze is zelf een fantastische artieste. Opgroeiend in een zeer arm gezin, schrijft ze over haar grootmoeder: “The Glen kids, along with a million other orphans of the Great Depression, were left to fend for themselves among the religious fanatics and pedophiles and sadists that seemed to gravitate toward children’s homes.”

Inrichtingen, verslavingsinstellingen en andere locaties waar verdwaalde of voorgoed gehavende zielen (ik ben noch een gelovig, noch een ongelovig mens, het ontbreekt mij aan de kennis iets anders te zijn en ik verkies het woord ‘ziel’ boven het woord ‘geest’, omdat ziel meer ruimte biedt en het woord ‘geest’ in mijn semantische beleving iets te veel neigt naar het louter rationele) hun toevlucht moeten zoeken of waar ze heen gedeporteerd zijn, hebben onder hun populatie veel mensen die in meer of mindere mate verminkt zijn door fundamentalistische religies. Met het toenemen van publicaties over o.a. het ‘religious trauma syndrome’, wordt steeds duidelijker hoeveel levens er verwoest zijn, worden en nog zullen worden door de verkondigers van een achterlijk, sadistisch, straffend geloof die zo gehersenspoeld en hysterisch zijn, dat juist van hen, de zielsredders, geen enkele hulp te verwachten is.

Neurotische, levenslange schuld en schaamte worden in de blauwdruk van de zuigeling gebrand en de baby’s die dit lot ondergaan – en de wereld kent er velen – zullen nooit meer vrij kunnen denken. Voor zover zoiets als bestaat. Later, onderaan in dit stuk, praat ik erover met een ‘survivor’: mijn goede vriend Louis die zich, voor zover hij kon, heeft los gevochten van zijn verstikkende geloof.

Onderstaand citaat stuurde hij me toe na ons gesprek.

Prediker 1:18

NBV: ‘Want wie veel wijsheid heeft, heeft veel verdriet. En wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.’

KJV: ‘For in much wisdom is much grief: and he that increaseth knowledge, increaseth sorrow.’

Als er geschriften zijn die vol contradicties staan zijn het wel de religieuze varianten.

Dit is wat de Nederlandse versie van Wikipedia te melden heeft over het ‘Religieus Trauma Syndroom’:

Het religieustraumasyndroom (RTS; in het Engels religious trauma syndrome) is volgens ontwikkelingspsycholoog en publicist Marlene Winell een psychologische conditie van mensen die lijden onder de schade van religieuze indoctrinatie, en die worstelen met het verlaten van een autoritaire, dogmatische religie.

Mensen die lijden aan RTS ondergaan het verlies aan steun van een voorheen betekenisvolle religie en een sociale gemeenschap en levensstijl. Symptomen hiervan zijn te vergelijken met die van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Net als bij PTSS is er onder andere sprake van langdurige klachten van opdringerige gedachten, negatieve emoties en verminderd sociaal functioneren.

De geestelijke letsels bij RTS zijn tweevoudig:

Ten eerste is de patiënt door jarenlange beklemmende religieuze indoctrinatie beschadigd geraakt. Men heeft vaak aangeleerd om niet kritisch te denken, dogma’s te accepteren en alles en iedereen van andere religies te wantrouwen. Een extra complicerende factor daarbij is dat men aangeleerd heeft om bij psychische problemen juist sterker op het eigen geloof te steunen of binnen de eigen geloofsgemeenschap hulp te zoeken, en seculiere hulpverlening te wantrouwen. In sommige gevallen is er binnen de religieuze opvoeding bovendien sprake geweest van lichamelijk, seksueel en/of geestelijk misbruik.

Ten tweede veroorzaakt het verlaten van een religie een enorme stress, omdat iemands sociale netwerk uiteenvalt en hij of zij zich genoodzaakt voelt om een heel nieuw sociaal leven op te gaan bouwen.

Verschillende symptomen kunnen hierbij ervaren worden:

cognitief: verwarring, matig vermogen tot kritisch denken, negatieve gedachten met betrekking tot het eigen kunnen, gebrek aan eigenwaarde, zwart-witdenken, perfectionisme, moeite met het maken van keuzes;

emotioneel: depressie, angst, woede, rouw/verdriet, eenzaamheid, moeite plezier te ervaren, verlies van betekenis;

sociaal: verlies van het sociale netwerk, scheiding van familie, sociale moeite, seksuele beperking, achterstand in sociale ontwikkeling (vermogen vrienden te maken, acceptatie van eigen lichaam, zelfredzaamheid, voorbereiding op arbeidsmarkt);

cultureel: onbekend zijn met de seculiere samenleving, ‘vreemde eend in de bijt’-gevoel, moeite erbij te horen.

Behandeling

Mensen met een religieus trauma syndroom zoeken niet vaak hulp hiervoor; veel vaker komt een religieus trauma aan het licht in de loop van een psychotherapeutische behandeling. Een reden daarvan kan gezocht worden in het feit dat religieuze en spirituele waarden die de patiënt in de opvoeding meegekregen heeft, negatief staan ten opzichte van psychotherapie. Daardoor heeft een patiënt vaak weerstand tegen het idee dat de psychische klachten afkomstig zouden kunnen zijn van doorgemaakte religieuze indoctrinatie. Een effectieve behandeling kan bestaan uit individuele psychotherapie, gevolgd door groepstherapie, waarbij het gunstig blijkt te zijn als de therapiegroep tamelijk heterogeen is.

Zoals beschreven – in ik herhaal dit met klem – ‘Mensen die lijden aan RTS ondergaan het verlies aan steun van een voorheen betekenisvolle religie en een sociale gemeenschap en levensstijl. Symptomen hiervan zijn te vergelijken met die van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Net als bij PTSS is er onder andere sprake van langdurige klachten van opdringerige gedachten, negatieve emoties en verminderd sociaal functioneren.’

Voorheen werd PTSS (posttraumatische stress-stoornis) voornamelijk gekoppeld aan ervaringen met levensbedreigende situaties.

Gelukkig begint men in te zien dat PTSS zich vanuit talloze achtergronden kan manifesteren. De grote gemene deler hier is ernstige vorm van stress waaraan iemand ingrijpend en/of langdurig is blootgesteld.

Een definitie van PTSS vanuit Wikipedia:

De posttraumatische stressstoornis (PTSS) is een psychische aandoening die in het DSM-IV was ingedeeld bij de angststoornissen. In de DSM-5 is de stoornis opgenomen in een nieuw hoofdstuk, Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen.[1][2] Daarnaast zijn ook de criteria op een aantal fronten gewijzigd. Deze wijzigingen zijn beschreven in het whitepaper Posttraumatische-stressstoornis.[3]

Inhoud
1 Oorzaak
2 Symptomen
3 Indeling
4 Behandeling

Oorzaak

De aandoening ontstaat als gevolg van ernstige stressgevende situaties, waarbij sprake is van levensbedreiging, ernstig lichamelijk letsel of een bedreiging van de lichamelijke (of psychologische, toevoeging door Meindert Inderwisch) integriteit. Deze situaties zijn voor de persoon traumatisch.

  • Oorlog, burgeroorlog en andere gewapende conflicten (shellshock (WO I), battle fatigue en concentratiekampsyndroom (WO II))
  • Gewelddadige aanvallen, agressie of bedreigingen (bijvoorbeeld huiselijk geweld, overval, beroving, marteling)
  • Getuige zijn van extreem geweld.
  • Verkrachting, seksueel misbruik of incest.
  • Kindermishandeling (bijvoorbeeld lichamelijk misbruik, verwaarlozing of emotionele/psychische mishandeling)
  • Zware verwondingen als gevolg van bijvoorbeeld een verkeersongeval of verbranding
  • Een traumatische bevalling (postpartum PTSS)
  • Plotseling verlies van een dierbare
  • Slachtoffer zijn van langdurig en/of ernstig pesten.
  • Blootgesteld zijn aan langdurige, religieuze terreur (toevoeging door Meindert Inderwisch)

Niet alleen het ondergaan maar ook het getuige zijn van deze situaties en de intensieve omgang met gerelateerde berichtgeving en beelden zouden de stoornis kunnen veroorzaken en/of versterken. [4] [5][6]

Symptomen

De symptomen zijn herbeleving (nachtmerries of flashbacks), vermijding van herinneringen of emotionele uitschakeling hiervan, ernstige prikkelbaarheid en slaapstoornissen, extreme spanning als gevolg van bepaalde prikkels, irritatie en hevige schrikreacties. Het is ook mogelijk dat de persoon symptomen van andere psychische aandoeningen vertoont zoals een klinische depressie. Van PTSS is sprake wanneer de symptomen langer dan een maand duren. Wanneer deze korter dan een maand duren, spreekt men van acute stressstoornis. PTSS is met behandeling te genezen of te verbeteren. Soms kan dit ook spontaan gebeuren. Tevens kan het voorkomen dat er verschijnselen van catatonie als symptoom optreden.

Indeling

PTSS valt onder de psychotrauma- en stressor-gerelateerde stoornissen en moet niet worden verward met het normale verwerkingsproces na een traumatische gebeurtenis. Voor de meeste mensen verdwijnen de emotionele gevolgen van een trauma na enkele maanden. Als deze echter langer duren, kan er sprake zijn van een psychische aandoening. Als de stoornis niet wordt behandeld, kan deze zeer ernstige vormen aannemen.

Behandeling

De geijkte behandeling bestaat uit traumagerichte cognitieve gedragstherapie (CGT), waarin onder andere gewerkt wordt aan het oplossen en verminderen van de angstklachten door middel van exposure (blootstelling): imaginaire exposure aan de herinneringen van de traumatische gebeurtenis en/of exposure in vivo.

(zie voor de nadelen van CGT ‘Mag ik mens zijn’ 33)

Naast psychotherapie wordt een divers spectrum aan medicatie voorgeschreven om de symptomen van angst te onderdrukken: antidepressiva, slaapmiddelen en angstremmers (benzodiazepines).

Naast CGT met imaginaire exposure zijn andere psychologische behandelingen werkzaam gebleken. Alle werkzame behandelingen voor PTSS zijn traumagericht en komen over het algemeen overeen dat men in gedachten teruggaat naar de traumatische gebeurtenis.

Er bestaat ook een methode waarbij dit niet gebeurt. Somatic Experiencing (SE) is erop gericht om op zorgvuldige wijze, zonder herbelevingen van het trauma, het lichaam te helpen de bevroren spanning stukje bij beetje los te laten. De beweging die er ‘toen’ niet kon zijn kan alsnog worden afgemaakt. Door deze ontlading kan eindelijk, vaak na vele jaren, de rust in lichaam en geest terugkeren. BEPP (Beknopte Eclectische Psychotherapie voor PTSS) en EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) zijn alternatieven voor CGT. Bij BEPP wordt naast imaginaire exposure ook tijd besteed aan informatie over het ziektebeeld PTSS. Na het meemaken van een traumatische gebeurtenis wordt men nooit meer de persoon als voorheen. Men leert namelijk van de gebeurtenis. Daarom wordt in BEPP ook aandacht besteed aan hoe de traumatische gebeurtenis het zelfbeeld en de kijk op de wereld heeft veranderd. BEPP is oorspronkelijk ontwikkeld voor de behandeling van politiemensen met een PTSS. Deze behandelmethode bleek ook werkzaam bij anderen[7][8]. EMDR is naast de behandeling van PTSS bij volwassenen[9][10] ook effectief bij behandeling van kinderen[11][1

Een goede vriend van mij, Louis, heeft zich lang geleden ‘losgemaakt’ van de zwaar gereformeerde kerk. Hij vertoont bij tijd en wijle PTSS-achtige verschijnselen. Gelukkig meldt hij zich dan doorgaans en kunnen we samen ‘grond’ maken. Echt ‘verschoond’ van de kwalijke invloeden die de hersenspoeling van dat type religie op hem hebben gehad, raakt hij nooit. Neurotische schuld is iets wat ik bij al die mensen waarneem. Ze lijden vaak aan een ‘generaliseerde angststoornis’ (angsten die zonder duidelijk aanwijsbare reden naar boven komen) en kunnen van daaruit een depressie ontwikkelen. ‘Schuldig vanaf dat ze in de wieg liggen’. Leuk hè, vrijheid van godsdienst.

Ik had het met mijn vriend over de angstcultuur binnen die gemeenschappen. Over de hel, het vagevuur en vroeg hem of hij de hel nog voor zich zag als Dantes Inferno (Louis is een zeer belezen man, academisch geschoold, maar zijn intelligentie krijgt de kwetsuren die dat dogmatische geloof heeft aangericht nooit meer uit zijn emotionele beleving). Net als bij zoveel aandoeningen, manifesteren de verschijnselen van het Complexe Religieuze Trauma Syndroom zich sneller en heftiger bij een opeenstapeling van stressoren. Werk eraan die steeds verder terug te dringen, want elke ‘beproeving’ zorgt ervoor dat je het stresshormoon ‘cortisol’ aanmaakt en dat kan zich ophopen in je prefrontale cortex waar veel cognitief en emotioneel verkeer plaatsvindt en waar cortisol een negatieve uitwerking op kan hebben. Dit hormoon blijft ook veel langer in het lichaam dan een ander stresshormoon, nl. adrenaline.

Maar, zoals geschreven, ik vroeg Louis naar zijn beeld van de hel nu. Of dat überhaupt nog bestond. Hij lachte er wat smalend om. Refereerde een lavastronen en gloeiende platen om vervolgens toch na te gaan wat hij voor beelden had nu hij niet meer geloofde. Hij zat om woorden verlegen en ik vroeg hem wat de meest ellendige bezoeking voor hem was. Ik wist het antwoord, maar wachtte geduldig af. Als therapeut de voorzet die je net hebt gegeven zelf inkoppen, getuigt – op zijn zachtst gezegd – van onervarenheid.

“Eenzaamheid”, antwoordde Louis. Die wordt soms zo erg….Dan weet ik letterlijk niet meer waar ik het zoeken moet. En hij vervolgde: “Weet je dat ik soms overweeg om terug te gaan naar die gemeenschap? Dat ik niet meer de vreemde eend in de bijt van de buitenwereld ben? Dat ik weer deel uitmaak van de kudde?

“En denk je dat je het langer dan een preek uithoudt?”, vroeg ik hem.

“Natuurlijk niet. Hoewel ik er misschien wel een vrouw naar mijn hart zou vinden om de eenzaamheid op te heffen.”

Louis vertelde hoe hij tot zijn twintigste nog diverse keren had geprobeerd werkelijk te ‘geloven’ en dat het hem niet was gelukt. Dat hij letterlijk in het voorgeborchte terechtkwam. We bespraken wat hij destijds had gedaan om de ellende te verzachten. Hij vertelde over de vriendengroepen waar hij deel van had uitgemaakt en hoe hij daar steeds weer uitstapte. Ik gaf hem aan hoe hij dat met vrouwen ook deed: ze aanbidden en afgewezen worden of ze verliefd op hem maken en dan zelf vertrekken. Hoe hij ook nooit de boeken die hij aan het schrijven is afmaakt of hoe de schilderijen waar hij aan is begonnen op de ezel blijven staan.

Ik smeerde wat eierkoeken met Zeeuwse roomboter, maakte nieuwe koffie voor ons. Louis had toegezegd deze week met mij de oefening te doen met ‘ik denk’, ‘ik voel’ en ‘dit gebeurt er in mijn lichaam.’ Ik wist niet of ik daarover moest beginnen, maar anderzijds kon ik me geen betere, eerlijker gesprekspartner voorstellen dan hem.

Op het filmpje dat we alleen maar ‘onder ons’ konden maken om de focus optimaal te houden qua dialoog, zie je een scheefgezakt beeld van twee mannen die – zo ervaar ik het – absoluut eigen zijn in wat ze van het contact willen.

Louis, lieve vriend. Ik hoop dat ik je recht heb gedaan. Jij hebt mij zeker onversaagd en altijd als vriend bijgestaan.

https://www.facebook.com/meindert.inderwisch/videos/590866038989519

Geef een antwoord

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Copyright © 2020 Amor en Psyche

Webdesign by: Miek.Designs

Heb je nog vragen

Stel ze gerust en ik antwoord je zo snel mogelijk.

Scroll naar top