Wie ben jij? IV (‘Mag ik mens zijn’ 31)

In ‘Gemengde gevoelens’ (1992) zegt Ethel Portnoy op blz 10:“In tegenstelling tot sommige feministen geloof ik niet dat vrouwen beter zijn dan mannen. Ze zijn precies even leugenachtig, lui, machtswellustig en slecht. Maar ik geloof …

Wie ben jij? IV (‘Mag ik mens zijn’ 31)

In ‘Gemengde gevoelens’ (1992) zegt Ethel Portnoy op blz 10:
“In tegenstelling tot sommige feministen geloof ik niet dat vrouwen beter zijn dan mannen. Ze zijn precies even leugenachtig, lui, machtswellustig en slecht. Maar ik geloof wel dat zij gelijke kansen zouden moeten hebben om op hoge posten blijk te geven van die eigenschappen.”
grappig détail: de uitgeverij is: OPZIJ

In dit deel ga ik in op de rode draden die vanuit de sleutelfiguur in mijn leven lopen: mijn moeder, engel en soms feeks.
Onlangs vertelde mijn oom George, de jongere broer van mijn moeder, dat ‘Tineke’ (mijn moeder heette Christine) als kind al hele gezelschappen bezig hield of wilde houden met verhaaltjes en liedjes. Het stond hem niet meer helder voor de geest of haar voorstellingen van talent getuigden, maar het zei mij wel iets. Mijn moeder eiste veel aandacht op. Met het ouder worden steeds meer en niet alleen als ‘entertainer’. Toen mijn vader stierf, was mijn moeder achtentwintig en trok ze al het verdriet naar zich toe. Niets kon erger zijn dan wat zij doormaakte. Ze trok daarmee een vacuüm in ons huis, dat toch al een mortuarium was waarin zij zich afsloot. Het was alsof ik geen enkel gevoel meer kon ervaren, behalve ademnood. Iedere dag had ik aanvallen van hyperventilatie en iedere nacht droomde ik dat mijn moeder werd ontvoerd of vermoord. Een psycholoog vroeg me vijfenvijftig jaar later of ik die dromen wellicht had gehad, omdat ik kwaad op haar was geweest. In mijn beleving was het veel eenvoudiger: zonder haar (ook al gaf ze mij geen teken van leven) was ik echt alles kwijt geweest. Dat was mijn verklaring als kind al voor de nachtmerries die ik had. Ik kan nog steeds niets met de suggestie van de psycholoog. Ik weet dat mijn moeder me vreselijk heeft verwaarloosd, maar heb daar nooit bewust woede bij gevoeld. En wat mijn onderbewustzijn daarvan maakt? Zegt u het maar.
Iets wat vaker wordt gezegd over mensen van allerlei leeftijden is: “ach, zij/hij zoekt gewoon aandacht.”

Of je nu aandacht verlangt of geeft, het blijft gaan om een vorm van liefde, hetgeen de terloopse opmerking hierboven veel meer gewicht geeft. Natuurlijk zoeken mensen aandacht. Net als water en brood. Liefde, het smachten naar waardering, al die dingen behoren tot de eerste levensbehoeften. Daar waar iemand om extreem veel aandacht vraagt, kan er sprake zijn van een psychopathologie. De – in dit verband – meest voorkomende is de Theatrale persoonlijkheidsstoornis. Een beschrijving die de Viersprong hanteert:


‘1. Kenmerken theatrale persoonlijkheidsstoornis Mensen met een theatrale persoonlijkheid voelen zich over het algemeen het prettigst wanneer ze in het middelpunt van de belangstelling staan. Wat de meeste mensen met deze stoornis niet van zichzelf weten, is dat dit komt omdat ze erg onzeker over zichzelf zijn en een grote behoefte hebben aan de bevestiging dat ze oké zijn. Op de omgeving komt iemand met een theatrale persoonlijkheidsstoornis in eerste instantie vaak over als een spontaan, sociaal, charmant en aanwezig persoon. Soms krijgen mensen na een tijdje echter het gevoel dat degene met de theatrale persoonlijkheidsstoornis een rol speelt en nooit zijn ware aard laat zien. Mensen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis hebben de neiging om hun gevoelens flink aan te dikken en deze op een dramatische manier te brengen, terwijl het aan de andere kant ook wat oppervlakkig blijft. Zo zal iemand met een theatrale persoonlijkheidsstoornis bijvoorbeeld gemakkelijk iemand kunnen omhelzen, terwijl hij of zij deze nauwelijks kent. En zo nadrukkelijk als de vreugde kan zijn, zo zwaar en meeslepend kan de somberheid of de teleurstelling zijn. Dit gebeurt vaak wanneer diegene niet in het middelpunt van de belangstelling staat en dus niet de bevestiging krijgt die hij of zij nodig heeft. Mensen met een theatrale persoonlijkheid zullen ook meer dan anderen flirten of seksueel getint gedrag laten zien. Dit kan overal gebeuren, flirten met de bakker, met de ober, met de groenteman, maar ook met mensen op straat of met collega’s. Soms kan het dus ook ongepast zijn. Het kost een hoop energie om steeds te zorgen dat je in het centrum van de aandacht staat. Hierdoor is er weinig energie om stil te staan bij wat je zelf nou eigenlijk echt voelt of je te verplaatsen in anderen. Dit maakt het hebben van een echte intieme relatie extra moeilijk. Wanneer iemand met een theatrale persoonlijkheidsstoornis niet de aandacht krijgt die hij of zijn nodig heeft, levert dit veel stress op. Mensen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis hebben dan ook vaak stress gerelateerd lichamelijke klachten of angststoornissen. Mensen met deze stoornis hebben ook vaker dan anderen een somatisatiestoornis, waarbij ze een lange ziektegeschiedenis hebben met veel klachten, die medisch niet helemaal te verklaren zijn. Verder kunnen ze last hebben van somberheidklachten.

2. Hoe ontstaat een theatrale persoonlijkheidsstoornis? Uit onderzoek blijkt dat 1,3% tot 3% van de bevolking een theatrale persoonlijkheidsstoornis heeft. Over hoe een theatrale persoonlijkheidsstoornis zich ontwikkelt, is nog weinig bekend. Het gaat waarschijnlijk om een ingewikkelde mix van een aantal factoren die op elkaar inspelen. Hoe dit gaat, is voor iedere mens anders. Iedereen wordt geboren in een ander lichaam en met een ander temperament (je aangeboren sterke kanten en kwetsbaarheden). Uit wetenschappelijk onderzoek komt naar voren dat de aanleg voor de theatrale persoonlijkheidsstoornis voor een deel erfelijk lijkt. Ook zal een van nature ‘open’ karakter, eerder neigen tot uitbundig gedrag dan mensen die van nature meer gesloten en verlegen zijn. Zeker als dit gepaard gaat met uiterlijke aantrekkelijkheid, waarbij mensen eerder belangstelling van anderen zullen krijgen dan mensen die minder aantrekkelijk zijn. Het verlangen om opgemerkt te worden en de aandacht van andere mensen te trekken is natuurlijk normaal. Bij de theatrale persoonlijkheidsstoornis is dit verlangen naar aandacht echter zo extreem dat het onverzadigbaar wordt. Hoe dit extreme verlangen zich verder ontwikkelt, is afhankelijk van de ervaringen die je in het leven opdoet en de omstandigheden waarin je opgroeit. Zo weten we bijvoorbeeld dat veel mensen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis vaak opgegroeid zijn in een omgeving die onvoldoende veilig was, bijvoorbeeld omdat ouders te weinig in de gaten hadden wat het kind nodig had. Ook weten we dat een groot deel van hen een depressie in hun kindertijd heeft gehad.

3. Hoe wordt een theatrale persoonlijkheidsstoornis bij de Viersprong vastgesteld? Naast het voeren van een of meerdere gesprekken met een deskundige, worden ook een interview en verschillende vragenlijsten afgenomen. Op deze manier kan de deskundige een zo compleet mogelijk beeld krijgen van de patiënt en zijn problematiek. Dat wil zeggen van de klachten, de problemen en de achtergrond. Bij iemand met een theatrale persoonlijkheidsstoornis vallen vaak het eerst de opvallende expressie (in taal en kleding bijvoorbeeld) en het zoeken naar aandacht op. En wanneer deze overdadige behoefte aan aandacht niet wordt vervuld, wordt hij of zij vaak onzeker, kwaad of zelfs somber. De uiteindelijke diagnose wordt vastgesteld volgens de richtlijnen die binnen de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) gelden.

Op dit moment wordt binnen de GGZ voor de diagnose van persoonlijkheidsstoornissen gebruik gemaakt van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, in het kort de DSM IV-TR (American Psychiatric Association [DSM-IV-TR], 2000). Dit is internationaal gezien het meest gebruikte classificatiesysteem voor het vaststellen van persoonlijkheidsstoornissen. In de Viersprong wordt hiervoor gebruik gemaakt van een interview dat de criteria van de DSM IV-TR uitvraagt. Dit is de meest betrouwbare manier om persoonlijkheidsstoornissen vast te stellen. Wanneer een theatrale persoonlijkheidsstoornis wordt vastgesteld, past de problematiek in onderstaande omschrijving van de DSM-IV-TR. 4.
Officiële criteria theatrale persoonlijkheidsstoornis (DSM-IV-TR) Een diepgaand patroon van buitensporige emotionaliteit en aandacht vragen, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diversie situaties, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:

• voelt zich niet op zijn gemak in situaties waarin hij niet in het centrum van de belangstelling staat.
• de interactie met anderen wordt vaak gekenmerkt door onaangepast seksueel verleidelijk of uitdagend gedrag.
• toont snel wisselende en oppervlakkige emotionele uitingen.
• maakt voortdurend gebruik van het eigen uiterlijk om de aandacht op zichzelf te vestigen.
• heeft een manier van spreken die uitermate impressionistisch is en waarbij details ontbreken.
• toont zelf-dramatiserende, theatrale en overdreven uitingen van emoties.
• is suggestibel, dat wil zeggen gemakkelijk beïnvloedbaar door anderen of de omstandigheden.
• beschouwt relaties als meer intiem dan deze in werkelijkheid zijn.

Het nadeel van dergelijke criteria is dat ze rigide zijn. Een leek kan er misbruik van maken. In een van mijn eerste ‘Mag ik mens zijn’ – afleveringen geef ik bijvoorbeeld al aan dat het woord narcist te snel wordt gehanteerd als scheldwoord, zonder dat de gebruiker enige notie heeft van de diepere, ernstige betekenis.
Persoonlijkheidsstoornissen zijn er vooral in gradaties. Soms vertoont men er slechts een paar trekken van of heeft men een lichte of zware vorm. In mijn moeders geval was er soms tijdenlang niets aan haar te merken qua theatraal gedrag.
Ook haar seksualiteit viel mij nooit op als een instrument dat ze gebruikte. Ze was een prachtige vrouw. Ze had een beeldschoon gezicht, een heel mooi, vrouwelijk figuur met grote borsten. Een ‘seksbom’. En ze flirtte nooit. Ze was tamelijk onschuldig in haar seksualiteit. Er was wel wat aan de hand op seksueel gebied. Ze achtervolgde mij jaar in jaar uit met het, destijds, fameuze onderzoek van Shere Hite:
De Amerikaanse feministe Shere Hite, bekend om haar onderzoek naar de vrouwelijke seksualiteit, is op 77-jarige leeftijd in Londen overleden.
Peter Giesen De Volkskrant, 10 september 2020, 23:05

Hite werd bekend door The Hite Report: A Nationwide Study of Female Sexuality. Van deze in 1976 verschenen studie werden wereldwijd 50 miljoen exemplaren verkocht. Op basis van een peiling onder 3.500 vrouwen schreef Hite onder meer dat veel vrouwen niet opgewonden raken van penetratie. Daardoor werd zij door sommige mannen als ‘anti-man’ gezien. Playboy noemde haar boek The Hate Report. ‘Ik zei dat penetratie niet zo veel deed voor veel vrouwen, en daar werden sommige mensen heel boos over’, zei ze in 2011 in The Guardian.

Hite werd geboren in Missouri. Als student aan Columbia University in New York poseerde ze naakt voor Playboy en voor een advertentie voor een typemachine van Olivetti. Maar toen ze de tekst bij de foto las, ‘De typemachine is zo slim zodat zij het niet hoeft te zijn’, deed ze mee aan een feministisch protest tegen de advertentie.

‘Destijds was ik de enige seksonderzoeker die feminist was’, zei Hite later. Ze constateerde dat vrouwen veel gemakkelijker tot een orgasme kwamen door masturbatie dan door penetratie. Volgens haar kwam 70 procent van de vrouwen niet klaar door penetratie. Daarmee nam ze afstand van het werk van eerdere seksuologen als Kinsey, en Masters en Johnson, die volgens haar te veel uitgingen van een mannelijk perspectief.
Een man die een wat ruime ervaring heeft wat betreft seksuele contacten met vrouwen, zal de bevindingen van Shere Hite onderschrijven. Als jongetje had ik daar allemaal geen boodschap aan en ik wilde het al helemaal niet horen van mijn moeder. Er zat zelfs bitterheid in haar stem wanneer ze dingen zei als: “geen enkele man is ooit in staat geweest mij te bevredigen”. Ik moest aan al dat soort hysterie een plaats geven in mijn jonge bewustzijn, dus schoof ik het maar onder het tapijt, waar het accumuleerde tot een steeds grotere hoeveelheid onderdrukte woede en vaak ook verdriet. Laatstgenoemde emotie kwam weer ergens anders vandaan: het schoolplein waar ik werd buitengesloten en vernederd, omdat ik ‘anders’ was. Fysiek konden ze me niet de baas, dus werd het eenzame uitsluiting. Ook dat drukte ik weg.

De volgende rekensom is wellicht eenvoudig te maken: mijn moeder eiste na mijn vaders dood alle emoties op in huis. Op het schoolplein werden al mijn emoties of de schijn daarvan belachelijk gemaakt, dus daar was ook geen plaats voor.
Gezonde agressie (ook wel; ‘eros’ genoemd; ‘what’s in a name) is het uiten van driften. Het naar buiten werken daarvan. Boos zijn en dat tonen in daad of woord is er een, maar huilen is net zo goed een uiting van gezonde agressie, zeker wanneer dit met schokken en snikken gepaard gaat. Het ontspant het lichaam op manieren die op een andere manier niet of nauwelijks teweeggebracht kunnen worden. Om maar twee vormen te benoemen.
Onderdrukken we stelselmatig onze agressie, dan slaat deze om in agressie naar het zelf. De ‘eros’ gaat naar binnen en begint daar de boel te slopen. Zeer uitputtend en destructief. Dit verschijnsel noemen we ‘depressie’. Niet zo ingewikkeld hè, die dynamiek? Was het maar zo eenvoudig. Naast ons vermogen om wel of niet emoties te uiten, komen er nog meer factoren kijken bij agressie en depressie, maar voor mijn zelfonderzoek in ‘Wie ben ik’, volstaat dit voorlopig.

Wanneer ik naar mijn vaders stiltes, somberheid en vroege dood kijk, is het niet ondenkbaar dat er een depressieve component in zijn DNA opgesloten zat. Die kan ik geërfd hebben. Voeg daarbij het stelselmatig onderdrukken van al mijn emoties en mijn ontvankelijkheid voor depressie zal zich op enig moment hebben moeten manifesteren. De eerste kwam rond mijn achttiende. En daarna volgden, met enige regelmaat, depressieve episoden.
“Je bent gewoon depressief”, zei mijn toenmalige huisarts Eli Kant tegen me (ik mis hem nog steeds) en hij schreef me paroxetine voor. Ik was totaal niet medicijntrouw, had geen benul van depressie en liet het doosje onaangeroerd op mijn nachtkastje liggen.

Om dit hoofdstuk af te sluiten zeg ik alvast in het kort iets over de dynamiek tussen mij en mijn moeder die nog veel verder ging dan tot nu toe beschreven. Zo was haar erotiserende verschijning en luidruchtige aanwezigheid voor mij altijd een bron van gêne. Er kwam veel te veel aandacht op ons af en al snel was ik niet eens Meindert meer, maar de zoon van.
Mensen die mijn narcistisch of ijdel vinden, hebben geen idee van de schaamte die in mij heeft huisgehouden en waartegen ik me moest wapenen om niet voor een trein te stappen. Het was ondraaglijk om niemand te zijn. De zoon van. Het kind dat niet bestond toen zijn vader stierf en evenmin toen zijn moeder uit de as herrees. Maak mijn leven van begin tot eind maar eens door en vel dan opnieuw je oordeel, als je nog overeind staat.

Geef een antwoord

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Copyright © 2020 Amor en Psyche

Webdesign by: Miek.Designs

Heb je nog vragen

Stel ze gerust en ik antwoord je zo snel mogelijk.

Scroll naar top