Wie ben jij? V (uit de reeks ‘Mag ik mens zijn’, deel 32)

(‘To be or not to be, that is the question’, William Shakespeare) Tijd voor wat zelfreflectie, gebaseerd op wat ik in de vorige hoofdstukken heb opgediept.Wat mijn vader betreft: onze lichaamsbouw is bijna identiek, behalve …

Wie ben jij? V (uit de reeks ‘Mag ik mens zijn’, deel 32)

(‘To be or not to be, that is the question’, William Shakespeare)

Tijd voor wat zelfreflectie, gebaseerd op wat ik in de vorige hoofdstukken heb opgediept.
Wat mijn vader betreft: onze lichaamsbouw is bijna identiek, behalve dan dat hij 1.93 m was en ik 1.83 ben. De evolutie verlangt van ons dat we partners zoeken die ertoe bijdragen dat ons kroost min of meer normale proporties aanneemt. Mijn moeder was 1.67, dus vandaar de tien centimeter verschil. Ik keek letterlijk tegen mijn vader op.

In mijn kinderogen was zijn geslachtsorgaan enorm. Hij liep een keer achteloos naakt voorbij en ik werd er, als vijfjarige, even stil van. Hoe dat formaat ooit te behalen? Het leek schier onmogelijk. Wanneer hij ook nog eens zijn officiersuniform droeg met de epauletten, de tressen, de strepen en andere versieringen, was hij een boven mij uit torenend ondoordringbaar instituut. Een instantie die nauwelijks een emotionele verbinding met mij kon maken.
Af en toe probeerde hij het wel. Die momentjes herinner ik me. En ook de voorvallen waarbij hij disproportioneel streng was. Zo had hij een keer sperzieboontjes gekookt en die waren nog zo rauw, dat ik ervan moest kokhalzen. Dat had ik vaak bij groenten trouwens. Mijn vader zette een barse stem op en gelastte mij door te eten. Mijn moeder liep op dat moment de keuken in, de engel, pakte een boontje van mijn bord, kauwde daarop en spoog het uit. Ze stak een tirade tegen hem af waardoor ik enerzijds opluchting voelde, maar ook medelijden met mijn vader kreeg.

Jaren later vertelde ze mij dat mijn vader als kind naar een soort gesticht was gestuurd, omdat hij ook allerlei vormen van voedsel niet in zijn keel verdroeg tot op het punt van daadwerkelijk braken. Ze schilderde het beeld van hem als jongetje in het tehuis, onder het schijnsel van een lamp aan een eettafel, gebogen over een bord ijskoude pap dat hij leeg moest eten, omdat hij anders niet naar bed mocht.
Sommige ouders letten er specifiek op dat ze niet aan hun kinderen doorgeven wat ze thuis aan nare ervaringen hebben moeten doorstaan. Het gros echter, herhaalt hun opvoeding bij het grootbrengen van hun eigen kroost. De kansen dat een mishandeld kind later zijn eigen telg ook weer mishandelt, zijn vele malen groter dan de momenten dat een nieuwbakken ouder de cyclus doorbreekt.

Zoë was eens aan het spelen en ik ging tegenover haar zitten, omdat ik er genoegen in schepte dat ze vrede had met de wereld en haar handjes gebruikte om die te kneden. Daar keek ik graag naar, want dan zag ik dat mijn kindje gezond was. Ik zei tegen haar: “Papa heeft jou nooit straf gegeven” (haar moeder deed dat wel, maar laat ik daar verder bij vandaan blijven), waarop ze antwoordde: “maar ik ben ook nooit stout geweest.” Daar had ze helemaal gelijk in en ze kon niet weten dat ik haar hoe dan ook nooit zou hebben bestraft. De dingen die ik me had voorgenomen toen ze nog in haar moeders buik groeide, heb ik allemaal trouw nageleefd. Ik was op alle terreinen een lievere, aandachtiger vader dan de mijne was geweest. En ik nam het goede van mijn moeder mee als leidraad: vragen naar wat mijn meisje dacht, haar aanmoedigen in wat ze ook maar ondernam, altijd interesse tonen (dat kostte geen enkele moeite), haar troosten vanuit fysieke en emotionele koestering, haar alles geven wat ze wilde (waardoor ze nooit zeurde of een verwend nestje werd). En op een kwade dag ging haar moeder bij me weg, vroeg volledige voogdij over ons kind aan die de rechter haar automatisch toekende en raakte Dochterwolkje verward in een onveilige wereld waardoor ze tot op de dag van vandaag chronisch uitgeput worstelt met haar stemmingen. Als vader, bleef ik haar drie dagen per week verzorgen (bezoekrecht), maar ik zag hoe ze het geloof in een eindeloos spelen verloor en het leven als een kwelling begon te zien. Zo eenvoudig en wreed is het: de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens.

Terwijl ik crepeerde, omdat mijn vrouw en kind bij me weg waren en hele boomstronken van verbinding uit mijn lijf hadden getrokken, zorgde ik voor mijn meisje en deed opgewekt. Het is mij niet duidelijk of ik de kracht die dat kostte te danken heb aan mijn vader of moeder. Misschien was dit wel een manifestatie van mijn ‘true self’.

Karakterpunt: onder zware belegering blijf ik overeind en zorg ervoor dat mijn geliefden – daar waar mijn invloed het verschil kan maken – niet gedupeerd worden door omstandigheden waar zij part noch deel aan hebben.
Dat is mooi en krachtig, maar eist natuurlijk een tol:
Karakterpunt: ik kon te lang bezig zijn met het welzijn van anderen en vergat dan voor mijzelf te zorgen.
Dat kon mij tenslotte suïcidaal maken, omdat ik geen uitweg meer zag en vreugdeloos werd. Toen ik dagelijks doodsdrift begon te ervaren, kon ik mijn opleiding goed gebruiken. Ik schakelde mijn verstand in als secondant. Mijn ratio vertelde me dat mijn doodsdrift maar een klein, tijdelijk te machtig, deel was van de totale mens Meindert. Ik zocht hulp bij een psychotherapeut die – godzijdank net als ik – niet zo’n afstandelijk type was. Hij reikte me inzichten aan die ik zelf nooit zou hebben kunnen ervaren. Na een jaar therapie brak de zon door en die heeft me niet meer verlaten.


Wat ik nog kwijt wil over mijn bezig zijn met de zorg voor anderen: daar is niets mis mee. Geef 80% weg en bewaak je eigen 20%. Het is de mensheid niet aan te rekenen dat ze gebruik maakt van wat word gefaciliteerd. Ik zorg graag en krijg daar liefde en/of voldoening voor terug. Mijn karaktertrek valt onder mijn verantwoording.


Karaktertrek: ik doe ieder bewust moment van mijn leven aan zelfbespiegeling. Niet omdat ik ben gepreoccupeerd met mijn ‘geweldige’ persoonlijkheid, maar omdat ik er zes jaar in ben getraind tijdens mijn opleiding tot gestalttherapeut. Ik kan niet anders meer dan vanuit een verhoogd ‘gewaarzijn’ (‘awareness’) leven. Ter relativering van al deze deugden:
Door het zorgzame in mij, kan ik in de valkuilen daarvan belanden. Mijzelf wegcijferen is er een van, maar het aandringen bij anderen op wat ‘beter voor hen zou zijn’ is een verholen vorm van agressie. Als perfectionist naar mijn eigen gedrag toe, kan ik mijzelf daarop aanspreken, maar ik kan ook zendingsdrang vertonen in liefdesrelaties en van daaruit ‘psychologiseren’, hetgeen tot wederzijdse bevreemding leidt. Ook dat sluit ik steeds meer uit. Dat is groei en voor mij van levensbelang. Bij cliënten heb ik dat zorgzame ook vanuit betrokkenheid, maar de tijd is altijd begrensd. Bovendien zijn zij te kwetsbaar en afhankelijk en hebben geen weerwoord. Dat verfijnt mijn aandacht, hetgeen ik aangenaam vind.

Mijzelf afbeulen totdat ik snakte naar de dood was een zorg voor de mensen in mijn omgeving die daarvan op de hoogte waren. Ik heb ze ooit dat inzicht in mij toevertrouwd, maar hen daar geen plezier mee gedaan. Ze blijven me nog steeds bellen, mailen etc. wanneer ik niet reageer en stappen desnoods in de auto om te zien of ik in het trapgat bungel of nog te redden ben. Het is niet bevorderlijk voor hun en mijn gemoedsrust dat dit gegeven nog niet wijkt. Het was er al vroeg in mijn bestaan en heeft lang de dienst uitgemaakt. In mijn poëzie verwees ik er soms terloops naar:
morgenstilte (uit: ‘Romantische gedichten’, Nijgh & van Ditmar 1985)
ondanks mahler

is er niets
dan morgenstilte
en witte muren
wachtende moeheid
lange trappen
geen afdwalen
hier en nu
de naaktheid van
nachtelijk vlees in de ochtend
ontwijk de dood
die onbeholpen kust
En uit ‘Het comfort van een vertrouwde minnaar’, Contact, 1989)
laat me je vertellen bedouetje
over de blindmakende mantels van
priesterlijke zondoders en gevolg
van een zwaard dat het kind in mijn keel velt
luister naar het strijken van mijn wimpers
en de stem die je herinnering hoort
aanschouw hoe mijn mond zich verbergt op dit
met idioten bevolkte terras
scherm de gaten in mijn flanken af en
vergezel me naar het eind van de pier
in een konvooi van verbrande schepen
ik moet je laten zien dat een val van
de zeewering mijn hoofd verplettert maar
de kleren die jij me gaf zal sparen

(NB: de discipline die ik hanteer is niet die van het sonnet. Ik verafschuw rijm in moderne poëzie. Wat ik doe is ervoor zorgen dat iedere regel van elk gedicht uit de bundel hetzelfde aantal lettergrepen telt).
Karaktertrek en valkuilen van zelfbespiegeling: hoeveel gezichtspunten ik ook inneem om mijn eigen gedrag en karakter te bestuderen, ik kan nooit alles zien, want ergens houd ik mijzelf omhoog aan mijn achilleshiel. Noem dat gedrag alleen al een blinde vlek. En wat is mijn achilleshiel? Ik denk heel eenvoudig: verstoten worden door de mensen waar ik van houd. Dat is een boodschap die ik mijn hele leven al krijg en die gevaarlijk voor mij kan zijn. Wanneer er een opeenhoping in een ‘bottleneck’ ontstaat, ga ik weer even in therapie.

Een andere valkuil van zelfbespiegeling, is dat ik gevangen raak in mijn focus op mijn ‘zelf’. Ik verword tot een kluizenaar. Voor mij een comfortzone die ik heb ontwikkeld vanaf mijn zevende, maar ook een plaats waar het ‘comfort’-gedeelte overgaat in totale vereenzaming, waardoor ik niet alleen mijzelf opnieuw in gevaar breng, maar ook ‘vervormingen’ krijg in mijn zelfwaarneming. Bij de A.A. (Alcholics Anonymous) en de N.A. (Narcotics Anonymous) zeggen ze terecht: ‘The mind is a dangerous place, don’t go there alone.’

Karaktertrek van mijn vader: Strengheid tonen vanuit frustratie. Dit gebeurt voornamelijk naar mannen, maar een enkele keer ook naar vrouwen van wie ik houd of hield. Mijn moeder maakte me daarop attent en ik weet nog dat ik het aanvankelijk gezeur vond. Zeker van haar. Als er iemand met orkaankracht over een ander mens kon razen vanuit woede, was zij dat wel. Maar laat ik niet flirten met ‘ontkenning’. Mijn streng zijn manifesteerde zich voor het eerst op het voetbalveld tijdens de gymlessen bij de – nog altijd zeer door mij gewaarde – leraar lichamelijke opvoeding, meneer Braker.
Hij zag hoe goed ik was in sport, was zelf absoluut niet zachtzinnig, maar observeerde en hoorde vooral hoe ik mijn ploeggenoten die goede passes verknoeiden, stonden te snurken of zich kinderlijk eenvoudig van de bal lieten zetten, verrot schold. Ik kon er niet mee omgaan dat zij niet dezelfde inzet vertoonden als ik. (Meneer) Braker gaf dan op zijn onnavolgbare wijze commentaar op mijn gedrag met opmerkingen als: “houd nou eens je grote bek Inderwisch”. Dat stelde ik dan weer op prijs, want hij zag mijn tekortkoming maar ook mijn hartstocht.

Met medemuzikanten kan ik heel geduldig zijn, maar je hebt erbij die gewoon niet lang de focus kunnen houden bij een leerproces en die – zoals bijvoorbeeld tijdens het oeverloos doorspelen van bepaalde passages in een liedje – constant dezelfde fout maken. Opnieuw die combinatie van enorme inzet en toewijding van mij die ontaardt in ergernis wanneer de ander er niet bij is met zijn gedachten. Die ergernis kan dan manifest worden bij een optreden, want dan staan we allemaal voor lul. Mijn misnoegen is op zo’n moment veel te zichtbaar en dat hoor je niet te flikken naar je medemuzikanten. Het is ‘wij’ (de band) tegen zij (het publiek) en dan is verdeeldheid zaaien niet de manier om vloeiend musiceren an te moedigen.

In de oefenruimte kan ik ook naar lieve, goede vrienden ineens heel cynisch worden (na twintig keer tevergeefs iets te hebben uitgelegd). En dan zeggen ze ook nog: “Ja, je hebt gelijk. Ik sta te suffen.”
Dan voel ik me een ellendige dictator die de liefde die zijn vrienden voor hem hebben, in gevaar brengt (daar komt die angst voor verlies weer boven). Ook al vinden zij dat ik gelijk heb, zelf vind ik dat niet. Soms is het beter om even de mannen een sigaretje te laten roken en zelf een mok koffie te brouwen. ‘Time out’.
Ik haat ‘bullies’ en dan ben ik er ineens zelf een. Over projectie gesproken.

Karaktertrek: ik raak geïrriteerd wanneer mensen in hetzelfde team, de gezamenlijke inspanning blijven verpesten. In plaats van accepterend te zijn, ontplof ik. Dat vind ik menselijk en vergeeflijk. Dat ik daarbij echter ook nog cynisch word, vind ik een naar trekje van mijzelf. Ik zie de schrik in de ogen van het slachtoffer en schaam me ter plekke, maar dan is het leed al geschied.


Niet eens ter verdediging, maar wel ter verduidelijking: iemand moet de kar trekken en het verbaast me hoe weinig mensen dat durven. Dat is naïef van mij en behoeft wat meer zelfbespiegeling. Net zo goed als het verschijnsel dat ik verantwoordelijkheden voor mijn rekening neem, omdat er anders geen zak van iets terechtkomt wel eens door mij onder de loep mag worden genomen. Ik ben werkelijk niet uit op macht, maar zadel mijzelf er wel mee op. Dat doe ik. Dat de ander net zo lang wacht tot ik in de opening stap, zou mij iets kunnen leren over mijzelf. De ander – vergeef het cliché – is alleen ontvankelijk voor de verandering die hij/zij zelf wil doorvoeren.


Karaktertrek: ik heb een natuurlijke autoriteit. Valkuil: ik neem te veel hooi op mijn vork en scheldt anderen dan de huid vol.

Geef een antwoord

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Copyright © 2020 Amor en Psyche

Webdesign by: Miek.Designs

Heb je nog vragen

Stel ze gerust en ik antwoord je zo snel mogelijk.

Scroll naar top